Kruipende beestjes in de herfst: welke nu binnenkomen en wat je ertegen doet

Inhoudsopgave
Waarom ze juist nu binnenkomen
De meeste kruipende beestjes leven buiten in de strooisellaag, onder stenen en in de spouw. Als het koud en nat wordt, trekken ze naar plekken waar het klimaat stabieler is. Een huis met de verwarming aan is dan aantrekkelijk, zeker de kelder, de kruipruimte en de hoeken achter de plinten. Ze komen binnen via kieren onder deuren, ventilatieopeningen, gaten rond leidingen en open ramen.
Daaruit volgt meteen het belangrijkste advies. Bij vrijwel alle soorten hieronder helpt gif minder dan dichtmaken en drooghouden. Wie de ingang vindt en de vochtige plek aanpakt, is ze meestal binnen een paar weken kwijt.
Zeven beestjes die je nu binnen ziet
1. Pissebed
Grijs, plat en ovaal, met zeven paar poten. Volgens de kennisbank van het KAD zijn pissebedden nachtdieren die erg gevoelig zijn voor uitdroging. Daarom vind je ze bijna altijd op vochtige, donkere plekken, zoals bij de achterdeur, in de kelder of onder een mat. Zie je er veel, dan is er ergens te veel vocht. Hoe je dat aanpakt, staat in ons stuk over pissebedden in huis.
2. Oorworm
Slank, glanzend donkerbruin en met een tang aan het achterlijf. Het KAD noemt hem volkomen onschadelijk voor mensen; het verhaal dat hij in je oor kruipt is een fabel. In het najaar zoekt het vrouwtje een holletje om te overwinteren, en soms is dat een kier in je kozijn. Je zet hem gewoon buiten. Meer in ons stuk over de oorworm.
3. Duizendpoot
Lang, snel en met veel poten. Duizendpoten jagen op andere kleine beestjes, dus wie er een ziet, heeft vaak ook iets waar hij op jaagt. Ze houden van vochtige kelders en badkamers. Lees in ons herkenstuk over de duizendpoot waarom hij binnenkomt en hoe je hem weert.
4. Huisspin
Spinnen zijn geen insecten, ze hebben acht poten in plaats van zes. De huisspin woont het hele jaar al in je huis, maar in de herfst valt hij meer op omdat hij gaat rondlopen. Grote exemplaren op de vloer of in het bad zijn meestal mannetjes op zoek naar een vrouwtje. Buiten zetten, laten zitten of weren? Dat zetten we op een rij in ons stuk over de huisspin in de herfst.
5. Hooiwagen
Lange, dunne poten en een klein lijfje, vaak hoog in een hoek. Ook een spinachtige, en een nuttige, want hij eet andere beestjes. Niet opzuigen, schreven we eerder in ons stuk over de hooiwagen, en daar staat ook waarom.
6. Papiervisje of zilvervisje
Een zilverig, vlug beestje dat ’s nachts tevoorschijn komt. Het zilvervisje zit in vochtige badkamers, het papiervisje heeft genoeg aan een droger huis en zit ook in de woonkamer of tussen boeken. Dat laatste rukt op en is lastiger, want gewoon schoonmaken helpt er nauwelijks tegen. Wat wel werkt, staat in ons stuk over papiervisjes.
7. Springstaart
Piepklein, wit of grijs, en ze springen weg als je ze aanraakt. Je ziet ze in te natte potgrond of op een vochtige badkamervloer. Ze zijn onschuldig, maar een teken van vocht. In ons stuk over springstaarten lees je hoe je ze herkent en kwijtraakt.
Wat bij alle zeven helpt
Omdat ze om dezelfde redenen binnenkomen, werkt dezelfde aanpak bij bijna allemaal.
- Kieren dicht. Een tochtstrip onder de achterdeur en kit rond leidingdoorvoeren houdt meer beestjes buiten dan welke spray ook.
- Ventilatieroosters niet dichtplakken. Wel kun je er aan de binnenkant een fijn gaas achter zetten. Dichtplakken geeft vocht, en vocht trekt juist pissebedden en zilvervisjes aan.
- Drooghouden. Laat de badkamer na het douchen goed luchten en controleer de kelder en kruipruimte op lekkages.
- Blad en hout weg bij de gevel. Een hoop blad of brandhout tegen de muur is een ideale schuilplek, van waaruit het een kleine stap naar binnen is.
Bij twijfel over wat je precies ziet, vang je het beestje onder een glas en vergelijk je het met de herkenstukken hierboven. Lijkt het op geen van deze, of zie je er ineens heel veel tegelijk, dan kan het KAD het in het laboratorium laten determineren. Dan weet je zeker of je iets moet doen, en wat.





